Een stukje tekst uit mijn boek:

 

Ik dacht: we kunnen God en zijn wet wel liefhebben, maar zó veel dat we dat ook met ons hart en onze ziel kunnen doen?! En dan moet ik ook mijn naaste nog eens liefhebben zoals ik mezelf liefheb? Ik, die zo veel schuldgevoel had naar aanleiding van wat ik mijn gezin had aangedaan? Hoe kan ik mezelf nu liefhebben? Dat kan toch niet?!

 

Ik wilde dat uitzoeken en ging dus door met mijn zoektocht. Want: wat nou ‘wet’? Die stond voor mij gelijk aan ‘verstand’ en die zou ook nog eens met ‘liefde’ te maken hebben? Kon de wet überhaupt wel uitkomst bieden? De wet is toch gewoon duidelijk en keihard. Dat weet toch iedereen? En liefde voor jezelf? Daar kon ik me al helemaal niets bij voorstellen. Dat de wet duidelijk en keihard is, was mijns inziens vrij simpel en snel uit te leggen. Vooral omdat ik dit onderwerp jarenlang aan mijn studenten heb uitgelegd. Deze twee, wet en liefde, vallen gewoonweg niet te combineren. Daarom daagde ik God uit: ‘Kom maar op, Heer, tart mijn ratio, mijn verstand maar! Ik wil van U weleens weten wat U precies bedoelt met de combinatie van wet en liefde…

 

 

 

 

Wanneer we het aardse recht vergelijken met het hemelse recht, kom je tot de volgende conclusie:

 

in het aardse recht bestaan er aanzienlijke juridische of wettische beperkingen, terwijl er in het hemelse recht totaal geen beperkingen aanwezig zijn, noch juridisch, noch moreel, mentaal, lichamelijk of geestelijk...