Hieronder stukjes tekst uit mijn boek waar ik over Mijn worsteling, Mijn barre pelgrimstocht en de Liefde schrijf:

 

Mijn worsteling

 

 

Jarenlang had ik nachtmerries over het ‘verlies’ van mijn kinderen. Elke keer wanneer ik in de krant maar iets las over een ongeluk of de dood van een tiener, greep me dat naar de keel. Met tergende en wurgende gedachten bekommerde ik mij om mijn eigen kinderen. ‘Het zal toch niet…!?’ dacht ik dan. Ik kon dan ook de hele nacht niet slapen. Het zweet brak me uit, ik kreeg een niet te stelpen huilbui en ging vervolgens weer stuk. Ik dreigde onder te gaan in deze wankele wereld, de chaos van mijn bestaan....

....

 

Om de pijn van schuldgevoel en afwijzing te kunnen hanteren probeerde ik deze last te negeren. Als mensen me vroegen of ik kinderen had, antwoordde ik ontkennend. Om hen maar niet voortdurend in het gezicht te hoeven kijken, bande ik hun aanwezigheid uit mijn leven door hun foto’s, die ik in eerste instantie in mijn boekenkast had staan, met de afbeelding naar beneden te leggen. Als ik ze zag, verstijfde ik. Later haalde ik ze uit mijn boekenkast. Want als ik thuis kwam, zag ik meteen die foto’s. Ik kon zelfs niet naar de liggende foto’s kijken zonder in huilen uit te barsten.

 

Soms drukte ik de foto’s tegen mijn borst en stelde me voor hoe ik hen knuffelde en omhelsde zoals ik altijd deed wanneer ik hen zag. In gedachten sprak ik hen troostend toe. Het lukte me niet met een gewone vertedering mijn blik langs die foto’s te laten gaan. Als ik dat probeerde, sloeg mijn gevoel om in paniek, angst, machteloze woede en een blijvende verontrusting.

 

Overdag zag ik mijn dochter en zoon heel vaak op straat lopen, terwijl zij dat in werkelijkheid natuurlijk niet waren… Ik hunkerde naar hen, maar tevergeefs. Naast de vele nachtmerries die ik over het verlies van mijn kinderen had, hield het hallucineren niet op. Overdag fantaseerde ik permanent over hen. Alles wat ik deed, dacht of droomde, had met mijn kinderen te maken. Omdat mijn kinderen alles voor mij betekende, was niets maar dan ook niets van mezelf.

 

Wat ik ook deed en hoe ik ook probeerde aan andere dingen te denken, telkens kwamen de permanente dwanggedachten over mijn kinderen naar boven. ´Ze hadden mijn hulp nodig´, maar ik kon niks doen. Ik riep naar mijn zoon of schreeuwde naar mijn dochter: ´Kind, waar ben je…?´, maar ze reageerden niet...

 

 

Mijn barre pelgrimstocht

 

 

Gaandeweg zocht ik een manier om niet toe te geven aan de sluimerende zelfvernietigingsdrang en bezwoer ik mijn angsten om die langzame vorm van gekte tegen te gaan. Mijn kinderen zouden toch ook niet willen dat ik dood zou gaan. Ik nam mijn toevlucht tot bewegen; iets wat ik met mijn geboorte als gift heb meegekregen. En ik besloot deze aangeboren bewegingsdrang fiks te honoreren door veel te gaan lopen. Per slot van rekening had ik al enkele marathons gelopen en wist ik wat afzien betekende. En ik zou gaan zwemmen, veel zwemmen. Heel veel zwemmen. Zwemmen totdat ik niet meer kon. Totdat ik van vermoeidheid als het ware zou zinken. Ik zou ad fundum, tot op de bodem gaan. In de zwembaden waarin ik zwom kon ik mijn intense verdriet kwijt. Ongeremd kon ik mijn tranen laten gaan, omdat die toch door niemand gezien konden worden. Na een uur intensief zwemmen was het waterniveau van het zwembad soms wel met drie centimeter gestegen tot een ‘zee vol tranen’. En buiten het zwembad kon ik altijd het chloor de schuld geven van mijn rood doorlopen ogen. Zo kon ik mijn verdriet verhullen.

 

Door mijn excessieve vluchtgedrag in het zwemmen en in andere sporten – ik liep hard en fietste er ook nog bij, zo hard en zo ver ik maar kon, zodat ik vaak uitgeput thuiskwam – kon ik de ‘macho-rol’ van de altijd vriendelijke, lachende optimist volhouden. Achter deze lach schuilde echter veel verdriet, intens veel verdriet...

 

 

 

Liefde

 

Zoals ik in het vorige hoofdstuk al schreef, was ik erg bezig met onderzoeken wat liefde nu precies inhoudt en of het wetenschappelijk te definiëren is... 

 

In eerste instantie dacht ik: weer zo’n boek… ik heb er al zo veel gelezen, dit zal wel een herhaling van zetten zijn…Maar zo sceptisch ik begon, zo enthousiast werd ik toen ik het las. Om te beginnen vanwege de reden waarom deze Max Lucado dit boek had geschreven. Hij schreef namelijk: ‘Voor mijn dochter, voor haar 18e verjaardag. Een vader kan geen grotere vreugde en diepere trots kennen. Ik hou van jou…

 

Mijn adem stokte en mijn hart sloeg over. Ik kreeg een brok in mijn keel. Ik moest slikken en kon geen woord uitbrengen. Want mijn dochter zou over een paar weken ook 18 jaar worden… De tranen rolden over mijn wangen. En binnen twee dagen en nachten had ik het uit. Ik slurpte het ene hoofdstuk na het andere op. Wat was dit mooi! Wat hier beschreven werd, ging over échte, pure liefde! Niet het algemene warme gevoel waar al die andere boeken over gingen, een zogenaamde ‘waarlijke’ liefde, die niet te vinden is omdat zij niet bestaat.

 

Nee, hier ging het om een andere liefde; een waarachtige, ware liefde, die zich niet laat verstoppen, maar als een golf over je heen komt en je meeneemt naar het ultieme geluk van vrede en barmhartigheid. Een liefde die meer is dan emotie of gevoel. Een liefde die je anders doet kijken naar je medemens en de ander jou niet onverschillig laat. Een liefde die alleen maar wil geven. Een liefde die mijn hele leven totaal zou gaan veranderen omdat ik het idee had hiermee ieder probleem aan te kunnen en op te lossen en iedere beproeving te kunnen doorstaan.

 

Het geheim van deze liefde...? (...)

 

Dat deze liefde ooit een zeer belangrijke rol zou spelen in de verhouding met mijn ex-vrouw en mijn kinderen heb ik toen nog niet kunnen bevroeden. Daar kom ik later nog op terug. Maar de voedingsbodem was wel gelegd!